www…

 

Mahakala

Begin dit jaar hield ik toezicht op een tentoonstelling over het boeddhisme bij ons in de buurt. Er waren zentekeningen te zien van Frank De Waele, kalligrafieën van William Van Gaver en verder authentieke Tibetaanse thangka’s. Lama Karta was bereid enkele unieke meesterwerken die normaal in het Boeddhistisch Instituut Yeunten Ling in Hoei te bezichtigen zijn, voor de tentoonstelling ter beschikking te stellen, op voorwaarde dat er toezicht was. Daarom recruteerden de initiatiefnemers van de tentoonstelling uit de drie boeddhistische strekkingen die Kortrijk rijk is, vrijwilligers. Ook uit onze zengroep.

Het schilderen van thangka’s was, en is, een hoog ontwikkelde en belangrijke uitdrukking van religieuze expressie in Tibet. Het is een medium waardoor de hoogste idealen van het boeddhisme naar buiten geroepen worden en tot leven worden gebracht. Een afbeelding van een Boeddha functioneert als een ‘landkaart’ bij onderricht. Monniken trokken vroeger van dorp naar dorp om er, aan de hand van thangka’s die ze opgerold met zich meedroegen, de leer van de Boeddha uit te leggen. De afbeeldingen tonen immers kwaliteiten die iedereen kan ontwikkelen in zijn leven. Daarnaast functioneert een thangka als focus en ondersteuning bij bijvoorbeeld meditatie. Op een dieper niveau zijn thangka’s de visuele expressie van de volledig ontwaakte staat van verlichting, het ultieme doel van het boeddhistische spirituele pad. De kleurrijke doeken deden mij aan iconen denken: minutieus geschilderd en ongetwijfeld net als de christelijke iconografie vol symboliek.

Er kwam amper volk af op de tentoonstelling. Het was namelijk het eerste weekend van de koopjes. Daardoor had ik ruim de tijd om de rolschilderingen uit Tibet te bekijken. Ik wandelde achtereenvolgens langs een afbeelding van de historische Boeddha, de Groene Tara, Avalokiteshvara en Manjushri tot mijn ogen getrokken werden naar een afbeelding op een andere muur die compleet uit de toon viel. Nieuwsgierig ging ik dichterbij. Er keek mij een felle, bijna demonische zesarmige verschijning aan, dansend te midden van een vuurhaard, opgeschikt met halloween-achtige sieraden, zwaaiend met wapens, rollend met enorme ogen en zijn hoektanden griezelig ontbloot. ‘Mahakala,’ stond erbij. En verder: ‘De verpersoonlijking van het oneindige mededogen van alle Boeddha’s in zijn toornige vorm’.

De woeste gestalte won meteen mijn sympathie. Deze thangka van de toornige godheden deed mij iets. Ik was geraakt. Dat een vreedzaam en zachtmoedig volk als het Tibetaanse ook belang hecht aan zoiets als ‘woedende wijsheid’. Prachtig! Er is een genade die juist in de woede, juist in de opstand en het wild om zich heen schoppen opengaat. Als ik in mijn door lijden getekende leven genade op het spoor ben gekomen, dan is dat in de eerste plaats al schoppend, of poëtischer geformuleerd ‘al dansend in een vuurzee’ (de halloween-achtige sieraden laat ik maar achterwege), maar hoe dan ook in een soort Spaanse furie die ‘gehakt’ maakt van elk mogelijk antwoord op de pijnlijke vraag van het lijden. ‘If you meet the Buddha, kill him.’ Wilde, woedende wijsheid. www…

 

In de folder van de tentoonstelling werd vermeld dat het schilderen van thangka’s een boeddhistische praktijk is die vele uren en dagen in beslag neemt en dat degene die schildert daarbij voortdurend het lijden en het welzijn van alle levende wezens voor ogen moet houden. Ook dat raakte mij. Het drukt voor mij net als de thangka van de toornige godheden iets wezenlijks uit over genade.

Dat het perspectief van bevrijding en welzijn enkel opengaat als je het lijden van alle levende wezens indachtig bent en blijft, d.w.z. in al zijn rauwheid en onrechtvaardigheid onder ogen ziet en tot je door laat dringen. Zoals de Avatamsaka Sutra het uitdrukt: ‘Dit is de plaats van al diegenen, die getekend zijn door liefde en mededogen. Wanneer zij zien hoe andere levende wezens lijden, zijn zij bereid in dit lijden af te dalen, en precies diezelfde pijn te ervaren in zichzelf.’ Of zoals Hisamatsu het in zijn gelofte aan de mensheid verwoordt: ‘je bewust worden van de doodstrijd, persoonlijk én maatschappelijk’. Dat elk perspectief dat voorbijgaat aan het lijden en de doodstrijd, met andere woorden vals is.  

Het is iets wat mij altijd ook geraakt heeft in de psalmen. De wijsheid in de psalmen dat je van de klacht moet vertrekken, dat je lang genoeg bij de klacht moet blijven, wil je ooit te weten komen wat loven is. En er zijn dingen die vragen om een leven lang bij de klacht te blijven. In de Joodse traditie, zegt de benedictijnermonnik Benoit Standaert, wordt het eerste boek van de psalmen (ps 1-41) het boek van de Nacht genoemd. Donkerte is het vertrekpunt. Dood. Geen plek meer om te staan.

Het boek van de psalmen is één lange klacht die doorklinkt tot op het einde (ps 143). Het is één roepen uit diepten van ellende van het volk van Israël en wij zijn natuurlijk dat volk. Het is ook onze klacht. Het is de ellende van onze wereld. Het is de onmogelijke vraag van het leven waar wij op zoveel manieren op botsen: conflicten die niet opgelost raken, onrecht dat niet recht gezet wordt, ziekte die niet te genezen is, pijn die niet te verhelpen is, dood waaraan niet te ontkomen valt. Maar evengoed: het karakter van je partner dat niet te veranderen valt, kinderen die niet doen wat je gehoopt had, de muren waar je in je eigen karakter op botst. Wie de psalmen reciteert, wordt ondergedompeld in allerlei onmogelijke situaties. Open en bloot wordt het God allemaal voor de voeten gegooid: dit en dat…

En juist door dat te doen, verandert het klagen gaandeweg – ongemerkt – in lofzang, ook al blijft ellende ellende. De klaagzang evolueert in de loop van de 150 psalmen tot louter lofzang. Er komt als het ware een perspectiefwissel. Het begint met je tranen de vrije loop laten, en eindigt dat God (wie of wat Hij of Zij of Het ook is) gezien, vermoed, gehoord wordt. Het is merkwaardig, maar zo werkt het.

 

Ik betrap mezelf erop dat ik hoe langer hoe weigerachtiger ben om genade met gevoel te associëren. Genade is niet zozeer gelegen in een ‘gevoel’ van verbondenheid, denk ik. Genade is het ‘besef’ van verbondenheid. Je daarom verbinden met het lijden en het welzijn van alle levende wezens, telkens opnieuw. Zoals bij die thangka’s, zoals in de Avatamsaka Sutra en de gelofte aan de mensheid, zoals in de psalmen. Gevoelsmatig kun je bij wijze van spreken potdicht zitten en toch dat besef van verbondenheid levend voor ogen hebben en houden.

In datzelfde koopjesweekend zag ik op tv al zappend een uitzending met Leo Fijen, in gesprek met een karmelietes die het prachtig uitdrukte. ‘God is als internet,’ zei ze. ‘Eén klik met de muis van je computer en je bent met de hele wereld verbonden.’ Dat is genade! We zijn allemaal met elkaar verbonden. Het web van Indra. God als internet. The World Wide Web: www…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s